Willy van der Heide – Een speurtocht door Noord-Afrika
Jeugd, vanaf 10 jaar
Wanneer Bob Evers en zijn onafscheidelijke vrienden Arie Roos en Jan Prins op reis gaan, vermoeden zij niet dat hen een hoogst gevaarlijk avontuur wacht.
Al spoedig raken zij verwikkeld in een geheimzinnige zaak, die hen voert langs vreemde steden, uitgestrekte woestijnen en duistere figuren, die niets goeds in de zin hebben.
Met durf, slimheid en een flinke dosis Hollandse nuchterheid nemen de jongens het op tegen listige tegenstanders.
Zal het hun lukken het raadsel te doorgronden en ongedeerd uit Noord-Afrika terug te keren?
Een spannend en onderhoudend jongensboek, vol actie en kameraadschap, dat menige jonge lezer met ingehouden adem zal verslinden.
Fragment
[…]
Om tien minuten over twee in het holst van een zwoele, Italiaanse nacht stopte een stoffige taxi voor de maanverlichte gevel van het Colossa Hotel in Napels.
Enkele Italiaanse straatslijpers, die in hoeken en nissen van gebouwen rondom het verlaten plein zaten te soezen, sprongen hoopvol op en kwamen te voorschijn, maar aarzelden dan en doken teleurgesteld terug toen zij zagen wie er uit de taxi klom: een jongen van ongeveer achttien jaar, met verwarde, donkerblonde haren, zonder overjas of pet en zonder enige bagage.
„Geen cent aan te verdienen,” was hun mening en knorrend zegen de leeglopers terug in de slagschaduw van hun portieken, teleurgesteld opziend naar de volrijpe, Italiaanse maan die boven het plein dreef.
Met scherp gekners van tandwielen reed de taxi weg.
De jongen rende de marmeren trappen van het paleisachtige hotel op.
De Franse hotelportier, een kleine dikke man met een smal filmsnorretje, zat soezerig een geillustreerd blad te lezen onder de felle lichtbundel van een bureaulamp, af en toe slaande naar steekmuggen die om zijn geoliede haren dansten.
Het sissend geluid van de snel wentelende draaideur deed hem opzien.
Het volgend moment stond een verwaaid uitziende jongen voor zijn receptiebureau.
„Mijn naam is Bob Evers.
Ik ben Amerikaan en juist uit Zwitserland aangekomen.
Hier is mijn paspoort.
Ik heb een dringende boodschap voor een mijnheer Crick Darry die hier in het hotel moet wonen.”
De portier wierp een ongeïnteresseerde blik op het Amerikaans paspoort en een geringschattende blik op het stoffig uiterlijk van deze jonge reiziger.
Hotelportiers verwachten geen dikke fooien van jongens van nog geen 21 jaar.
Hij raadpleegde geeuwend zijn register.
„Kamer 486.
Ik zal zien of mijnheer te spreken is.”
Hij had nauwelijks het kamernummer op de hoteltelefoon gedraaid, of de kamer antwoordde.
„Met de receptie, Mr Darry...
Er is hier iemand om u te spreken...
De telefoon pruttelde een antwoord.
De portier keek vreemd op:
„Mijnheer Darry vraagt of het dringend is...
Of het niet morgen kan?”
Bob Evers barstte ongeduldig uit:
„Geef mij die telefoon!”
Hij zei het op een toon, zo ongewoon gebiedend voor een jongen, dat de portier hem zonder meer de hoorn overhandigde.
„Is that Mr Crick Darry?”
„This is Darry, yes...” (de stem klonk prettig, maar sloom en wat wantrouwend).
„Kent u Masters? Jack Masters?”
Er volgde een moment stilte op de lijn.
„Jack Masters?
Wel eens van gehoord.”
„Ik heb een boodschap van hem voor u.”
De stem van Darry veranderde plotseling van klank en beval kortaf:
„Zeg niets meer.
Leg de hoorn neer en kom meteen naar boven.”
„Okay.”
[…]