Margery Allingham – Gevraagd: iemand die te goeder trouw is

Detective

 

Fragment

 

[…]
‘Het gedreun van de deur had ons beiden doen omdraaien.
Een werkelijk indrukwekkende figuur stond voor mij, twee vingers sierlijk uitgestrekt.
Dr. Crupiner was zeker tachtig jaar oud, en mijn eerste gedachte was dat hij bij het toneel moest gaan.
Terwijl hij mij de hand schudde, bracht hij mij naar het venster, vermoedelijk om mij beter te kunnen opnemen, en ik keek op in een knap, verwaand oud gezicht.
Zijn doffe ogen tuurden in de mijne.
Hij liep een beetje onzeker, maar overigens was hij nog volkomen zeker van zichzelf.
Hij had dik zilverachtig haar en droeg ouderwetse kleren.
Hij droeg, voor moderne begrippen, veel juwelen, en zijn strikdas was bevestigd met een mooie opalen speld.

  ‘Zo,’ zei hij, terwijl hij een lorgnet aan een brede zwarte band te voorschijn haalde.
  ‘Laat ik u eens bekijken.’

Mijn indruk was dat hij vooral bezorgd was te zien hoe ik op zijn ouderwetse praal reageerde, en hij scheen voldaan te zijn, want hij wees mij een stoel aan midden in de kamer.
Toen ik er veilig op geïnstalleerd was, ging hij voor de haard staan, met de handen op de rug, zijn hoofd wat naar achteren gebogen.

  ‘Nu,’ zo begon hij, ‘om kort te zijn: mrs. Fayre wil dat ik zelf met u spreek en ik moet zeggen dat ik haar beslissing toejuich.
  Je kunt nooit te voorzichtig zijn.’

Ik had geen idee wat er zou volgen en keek hem in gespannen verwachting aan.

  ‘U weet waarom u in dienst bent genomen?’

  ‘Nee.
  Het spijt mij, maar dat weet ik niet. 
  Rita zei dat ik haar wat moest helpen, en... eh... een zusje voor haar moest zijn, maar...’ 

 ‘Een zusje.
  Juist, dat zijn mijn woorden.’

Hij scheen verrukt te zijn.

  ‘Ik had gedacht dat ze het u wat duidelijker gemaakt zou hebben.
  Maar misschien wilde ze het liever aan mij overlaten.
  Ik kan het u misschien wat duidelijker uitleggen.’

  ‘Waarover gaat het?’

  ‘Over een heel delicate zaak die de uiterste discretie vraagt.
  U lijkt mij een verstandig meisje.’

  ‘Ik probeer het,’ zei ik, en hoopte dat het minder hoogdravend klonk dan ik vond.

  ‘Ja,’ zei hij.
  ‘Ja, mrs. Fayre heeft mij verteld dat ze u vanaf uw kindertijd gekend heeft.’

  'Ja, dat klopt.’

  ‘Juist. 
  Dat zei ik al,’ beet hij mij toe.

Het essentiële ontging hem.

  ‘Mijn overleden broer, dokter Albert Crupiner, met wie ik samenwerkte, had de eer gedurende lange jaren de huisarts van de              familie Fayre te zijn - vijfentwintig jaar om precies te zijn.
  Hij heeft kolonel Julian Fayre op de wereld helpen komen en een paar jaar geleden behandelde hij de arme oude mrs. Fayre in        haar laatste ziekte...
  Ik neem aan dat u geen verpleegsterservaring hebt?’

  ‘Helemaal niet.’

  ‘Dat hindert niet.
  Wat we nodig hebben, is begrip en onomkoopbaarheid - voor alles onomkoopbaarheid.’

  ‘Ja,’ zei ik, er niets van begrijpend.

  ‘Wij wilden dat u een herstellende wat gezelschap houdt.’

  ‘Gezelschap?’

  Hij knikte.
  ‘Miss Brayton, misschien weet u niet dat bij een man die ernstig ziek is geweest ten gevolge van ontberingen en... eh...                       oorlogsellende, ook zijn zenuwen een klap kunnen krijgen.’

  ‘Zenuwen?’

  ‘Juist.
  In zo’n toestand is de patiënt geneigd een zekere, hoewel tijdelijke, antipathie te tonen tegen de mensen van wie hij het meest          houdt. 
  Tegen zijn vrouw in dit geval.’

Ik begon er iets van te begrijpen, of liever, dat dacht ik.

  ‘Bedoelt u Rita’s man?’  

  'Ja.
  Het is een prachtkerel.  
  Hij was natuurlijk de patiënt van mijn broer, maar ik kende hem al toen hij nog een jongen was.
  Ik vind het daarom bijzonder jammer dat hij in zo’n slechte toestand verkeert.
  Lichamelijk gaat hij vooruit, maar hij koestert nog altijd een onredelijk wantrouwen tegen zijn vrouw en eigenlijk tegen vrouwen in      het algemeen en hem praten, naar hem luisteren. 

  Maar...’

Hij wachtte even, en zijn oude ogen keken onderzoekend in de mijne.

  ‘U zult begrijpen,’ ging hij toen beslist verder, ‘dat het van het allergrootste belang is dat u tegenover zijn vrouw absoluut loyaal           bent.’

    ‘Ja,’ zei ik, ‘dat begrijp ik.’

Hij scheen zich hierdoor opgelucht te voelen.

  ‘U bent een intelligent meisje,’ merkte hij op.

[…]