Annie Oosterbroek-Dutschun - Het laatste woord

Het Geslacht Alving 3

Roman

 

Fragment

 

[...]
'Maar Griet, dat is zo’n meelijwekkend geval.
Rieks wenst een stamhouder, en kijkt er Griet op aan dat hij die nog niet heeft.
Wie had vroeger ooit van die aardige Rieks gedacht dat hij zijn vrouw als een minderwaardig schepsel zou gaan behandelen als ze hem geen zoon schonk?

O, als ze zo’n paar keer per jaar bij elkaar zijn, met moeder Hillechiens verjaardag, of om nieuwjaar te wensen, dan speelt hij nog steeds de gemoedelijke Rieks die hij vroeger was, maar ze weten het allemaal wel beter.
Tussen hem en Griet is de kloof zo diep, dat die waarschijnlijk nooit meer overbrugd kan worden, ook al zou er nu nog een zoon komen.
Dan zou Griet, om zo te zeggen, in ere worden hersteld.
Maar al het zeer van de afgelopen jaren kan daarmee niet weggenomen worden.

Griet weet dan dat het om het kind is, niet om haarzelf.
Hij probeert op zulke dagen ook altijd aardig tegen zijn wichter te doen, maar iedereen ziet dat ze bang voor hem zijn. 
Ze gaan hem zoveel mogelijk uit de weg en gedragen zich als schuwe wezels als hij zich met hen bemoeit.
Arme Griet, hoe houdt ze 't vol, denkt Geertien vaak.

Ze praat er ook wel eens met Hendrik Jan over.
Vooral na zo’n bezoekdag, als ze hebben gezien hoe teruggetrokken Griet in een hoekje zit, mager, stil en futloos.
"Wat moet ze dan anders, dan het volhouden?” vraagt Hendrik Jan dan.
"Weglopen?
Waarheen?
Ze kan de kinderen toch niet achterlaten?
Zeker niet bij zo’n vader.” 
Nee, dat is waar, maar o, het begroot haar zo voor Griet.

Ze heeft altijd meer van Marchien en Roelfien gehouden, vooral van de laatste - ze waren vroeger vriendinnen - maar ze mocht de bijdehante Griet toch ook wel. 
Het was toch een goede meid en dit heeft ze niet verdiend.
Och ja, zo heeft ieder zijn zorgen. 
In elke familie is wel wat.

[...]