Richard Jaenen – Janneke achter den berg

Vlaamsche Filmkens  129

Korte historische roman

 

'Janneke achter den berg' van Richard Jaenen is een jeugdboekje dat in 1933 is verschenen.
Dit maakt deel uit van de oorspronkelijke, vooroorlogse reeks 'Vlaamsche Filmkens', die oorspronkelijk wekelijks gepubliceerd werd in de jaren 1930–1942 door de katholieke uitgeverij Averbode (de Goede Pers).
Prijs destijds: 50 centimes = 0.5 Belgische franc

 

Fragment:

In dien tijd woonde aan genen kant klotsbroek, diep in de hei, een arm keuterboerke, Janneke achter den Berg.
Men heette hem alzoo omdat zijn woningske daar tegen den gelen, hoogen zandberg, die thans nog van verre zichtbaar is, schutting zocht tegen winden en regenvlagen.

Janneke achter den Berg had geen weelde.
Zijn vader, een bezembinder, was van uit de Zonhoverhei zich daar gaan vestigen.
Met wat hout en wat leem lapte hij daar op een paar dagen een huizeke aaneen.
Het was datzelfde huizeke dat Janneke nu nog bewoonde en dat hij na eiken wintertijd als de vorst en de winden geregeerd en het krotje deerlijk gehavend hadden, van her op- plaasterde.

Een valleke van een woningske was het.
Eén plaatske maar voor huizing en slaping tegelijk.
Maar dat kon niet deren.
Dat was warm in den winter en in den zomer zette Nette-Mieke, het vrouwke, venster en deurke wagewijd open, zoodat de frissche, geurige heillicht er met volle asems binnenwoei.

Ja, daar was volop plaats genoeg voor hun tweetjes.
Want kinderen hadden Janneke en Nette-Mieke niet, al hadden zij nochtans dikwijls aan Onze-Lieve-Heerke gevraagd dat Hij hun een ferm zoontje of een flink dochterke van uit den hemel zon sturen.
Ze zouden best van pas gekomen zijn, bij Janneke op zijn stukske labeurgrond of bij Nette Mieke aan de waschkuip.
Neen, al hadden ze nog zoo vurig gebeden, Onze-Lieve-Heerke wou hen niet verhooren.

  — « Het is misschien,» zei Nette-Mieke, « omdat ze toch maar sukkelaars zouden zijn in de wereld, net als wij, dunkt u niet, Janneke, zou het daarom niet zijn dat Onze-Lieve-Heer zoo hardhoorig blijft ? »

  — « Och Nette-Mieke ! » zei Janneke dan verwijtend, « gij moet alzoo niet spreken van sukkelaars.
Wij moeten kontent zijn, hebben wij niet alle reden om kontent te zijn?
Zie, wij zijn goed gezond, ons patatten hebben ferm opgebracht van ‘t jaar, ons koren is opperbest gelukt en ons Rooike geeft melk dat het schoon is om zien. »

  — « Och, ja, » gaf Nette-Mieke dan weer lachend toe, « ge hebt gelijk, wij mogen niet klagen, als we ‘t alzoo maar blijven voortdoen, neen, dan mogen we toch niet klagen. »

  — « Dat zou ‘k zeggen, » sprak Janneke, « Nette-Mieke, ik ga nog wat hei omdoen, tot straks. »

  En daarmede legde hij de schup over den schouder en stapte hij weg achter den berg, waar hij een nieuw lappeke hei aan ‘t ontginnen was.
[…]