Martine Kamphuis – Vakantie
Korte thriller
Fragment
[…]
Ik laat mijn ogen langzaam over zijn lichaam glijden, over het buikje, over zijn roodverbrande armen, zijn trouwring.
‘Weet je wat er gaat gebeuren?’ fluister ik.
De held komt in beweging.
Hij brengt zijn handen naar zijn nek en probeert paniekerig zijn vingers onder het koord te krijgen.
Als dat niet lukt, begint hij te trillen.
‘Alstublieft…’ kermt hij, terwijl er tranen opwellen in zijn ogen, ‘alstublieft… ik heb kinderen…’
Dit gesprek heb ik in allerlei varianten vaak gevoerd, maar het blijft leuk.
‘O, kinderen!
Die gaan voor alles, natuurlijk!
Stel je voor dat ik kinderen schade zou berokkenen, dat wil ik niet.
Even denken… wat is erger, een serieverkrachter als vader, of géén vader?’
Hij kijkt me aan alsof ik over bovennatuurlijke gaven beschik.
Wat op dat moment, op die plek, misschien niet eens zo’n gekke gedachte is.
‘Hoe weet u…’
‘Dat doet er niet toe,’ zeg ik, tevreden dat hij datgene bevestigt wat ik eigenlijk al wist.
Terwijl zijn hoofd roodpaars verkleurt en zijn ogen beginnen uit te puilen, prevel ik:
‘Maak je geen zorgen, ik regel het zo dat je kinderen zullen horen dat je een toevallig slachtoffer van een roofmoord bent geworden.
Zij hoeven niet meer te lijden dan strikt noodzakelijk is.
Toch?’
Er komt geen antwoord meer.
Al zou hij kunnen, hij zou het niet geven, uiteindelijk gaat het hen alleen om zichzelf.
Nadat ik voor de zekerheid zijn pols gevoeld heb, doorzoek ik zijn broekzakken.
Er komt een condoom tevoorschijn.
Dat neem ik mee, net als zijn portefeuille en het mes.
Even overweeg ik ook de oorbel te pakken – ik bewaar steeds een klein aandenken en dat doodshoofd is leuker dan het zoveelste mes, of de portemonnee.
Toch doe ik het uiteindelijk niet.
Het verdwijnen van een waardeloos prul past niet bij datgene wat ik voor de nabestaanden wil ensceneren.
Terug bij de fiets stop ik het rugzakje onder de snelbinders en stap op.
Net voordat ik wegrijd zie ik het: een perfect aandenken.
Er zit iets om de nummerplaten.
Niet te geloven, hij heeft twee knullige hoesjes gemaakt, met een vals kenteken erop.
Wat een huisvlijt.
Het is een geluk dat mijn oog erop valt, want die dingetjes zijn niet alleen een grappig souvenir, ook voor het roofmoordscenario is het essentieel dat ze verdwijnen.
Op weg terug naar mijn hotel voel ik me helemaal gelukkig.
Dat is steeds zo, naast de adrenalinekick van de daad zelf, is dit waar ik het voor doe.
Ik geniet dan van het uitzicht over de weilanden, van de geluiden van de zomeravond, van roze en oranje wolkenflarden die dromerig boven de horizon drijven.
Ik geniet van wat ik zie en meer nog geniet ik van de wetenschap dat ik deze mooie wereld opnieuw een heel klein beetje beter heb weten te maken.
[…]